Een BV met een DGA die 55% van de aandelen heeft, krijgt de Belastingdienst op bezoek voor een boekenonderzoek. Het jaarloon van de DGA was in de onderzochte jaren circa € 81.000. De Belastingdienst corrigeert dat naar ongeveer € 96.000 per jaar en legt naheffingsaanslagen op. De rechter komt eraan te pas.
Volgens de rechter heeft de Belastingdienst het loon van de DGA in beginsel terecht gecorrigeerd naar het loon van de meest verdienende werknemer van de BV. Eisen aan functie- en beloningsverhoudingen van die meest verdienende werknemer stelt de wet niet.
Het is vervolgens aan de BV om aannemelijk te maken dat die bedragen hoger zijn dan het loon uit een dienstbetrekking die het meest vergelijkbaar is met die van de DGA. In dat geval wordt het loon van de DGA gesteld op het loon uit die dienstbetrekking.
De BV stelt dat een algemeen directeur van een vergelijkbaar bedrijf als meest vergelijkbare dienstbetrekking moet worden beschouwd en een loon geniet tussen de € 5.500 en € 7.000 per maand. Volgens de BV past in dit geval geen hoger loon, gelet op de beperkte commerciële taken en de vooral op interne bedrijfsvoering gerichte werkzaamheden.
Volgens de rechter is de BV niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. De BV heeft te weinig concreet onderbouwd wat het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking zou zijn, mede in het licht van wat de DGA zelf heeft verklaard over zijn jarenlange werkervaring (van 30 jaar), het aantal werkuren (zo’n 60 uur per week) en de rol die hij vervult binnen het bedrijf (samen met een mede-aandeelhouder eindverantwoordelijk zijn, verantwoordelijk zijn voor het personeelsbeleid en alle andere personele zaken, het opstellen van de begroting en bewaken van de facturatie, het beheren van 25% van de klantenportefeuille en het onderhouden van contact met klanten en leveranciers, het controleren van de administratie en jaarwerkdossiers van klanten en het indienen van belastingaangiften).
De Belastingdienst stelt terecht dat de BV enkel op bruto maandlonen heeft gewezen, terwijl het voor de toepassing van de wettelijke fictief loonregeling om jaarloon gaat, waarvoor meer looncomponenten van belang zijn (zoals vakantiegeld of een ter beschikking gestelde auto).
Conclusie
De rechter stelt de Belastingdienst volledig in het gelijk.
Let op: In een zaak als deze over de fictief loonregeling gaat het vaak om de bewijslastverdeling. In dit geval is er in het bedrijf nu eenmaal een werknemer met een hoger loon dan de DGA. Dan ligt de bewijslast bij de DGA om aan te tonen dat die werknemer ook meer verdient dan iemand buiten het bedrijf met een vergelijkbare functie als de DGA.


